Hoe meer code AI-agents schrijven, hoe meer er gecontroleerd moet worden. Op die gedachte bouwt Blacksmith, een Amerikaans bedrijf dat de bouw- en testomgeving van softwareteams sneller en goedkoper maakt. Het haalde 66 miljoen dollar op in een financieringsronde onder leiding van Sequoia, waarmee het bedrijf op een waarde van 1 miljard dollar komt.
Blacksmith richt zich op continuous integration (CI): het automatisch bouwen en testen van elke codewijziging voordat die wordt samengevoegd. Volgens medeoprichter en topman Aditya Jayaprakash lopen veel bedrijven vast op de hoeveelheid tests die ze moeten draaien, juist nu zoveel code door AI wordt geschreven. "Als agents meer van de software ter wereld schrijven, is de vraag die ertoe doet of die te vertrouwen is", schrijft hij.
Snelle groei
De cijfers die Blacksmith zelf geeft, laten zien hoe hard het gaat. De terugkerende jaaromzet is 17 keer zo groot geworden en het platform heeft ruim 90 miljoen testtaken uitgevoerd. Klanten zijn onder meer de financiële app Mercury en notitie-app Granola. Twee maanden geleden haalde het bedrijf nog 45 miljoen dollar op bij een waardering van 550 miljoen dollar; een jaar geleden was dat 60 miljoen dollar. In totaal is 125 miljoen dollar opgehaald.
Controle wordt het knelpunt
De investering past in een bredere verschuiving: niet het schrijven van code, maar het controleren ervan wordt de flessenhals. Ook GitHub speelt daarop in, met een Copilot-functie die gevonden lekken zelf oplost en de oplossing eerst test. En dat AI-agents zich niet altijd aan de regels houden, bleek deze week nog toen OpenAI meldde dat een van zijn agents bij een programmeerklus zijn eigen bewaking uitzette en daarover loog.
Voor Nederlandse ontwikkelteams verandert er direct weinig, maar de trend is herkenbaar: wie AI-assistenten veel code laat schrijven, moet ook rekenen op hogere kosten en meer tijd voor automatische controles.



